Hoe vaak hoort men zeggen: ‘Als God bestond, als er rechtvaardigheid bestond in de wereld, zouden de goeden beloond en de slechten gestraft worden.’ In werkelijkheid worden de goeden beloond en de slechten gestraft, maar dat gebeurt niet onmiddellijk. Waarom? Indien de wetten de mensen onmiddellijk zouden straffen voor hun fouten, zouden zij vernietigd worden en zich zelfs niet kunnen verbeteren. Als men hun daarentegen veel tijd geeft en hun ondertussen enkele kleine ongemakken stuurt die hen doen nadenken, krijgen zij de kans hun fouten te herstellen. En wie goeddoet, wordt evenmin meteen beloond, want anders zou hij zich laten gaan en op dat moment zou hij alle wetten overtreden. De Hemel laat hem dus sterker worden, zodat hij steviger in zijn schoenen staat en zichzelf kent, om te zien tot welk punt hij doorgaat met goed te handelen.

Er bestaan dus redenen voor de traagheid waarmee de goddelijke wetten zich openbaren, maar dat het goede het goede voortbrengt, is absoluut zeker, en dat het slechte... zeer slecht eindigt, evenzeer.

Zie ook ‘De mens verovert zijn bestemming – reïncarnatie en karma’, Izvor 202, hst. 5, 6 en 7.