Zolang mensen voorrang blijven geven aan hun persoonlijk belang boven dat van de gemeenschap, zal er geen oplossing komen voor hun problemen. ‘Het belang van de gemeenschap’ betekent niet alleen de collectiviteit van mensen, maar van heel het universum dat zij altijd willen gebruiken voor hun eigen voldoening. Zie eens hoe zij dieren, bomen, bergen en de zee uitbuiten... En als zij ooit over voldoende technische middelen beschikken, zul je zien wat zij zullen doen met de zon, de maan en andere planeten! Al wat bestaat wordt gebruikt als middel voor één enkel doel: de materiële bevrediging van de mens.

Wat moet er veranderen? Het doel en de middelen verwisselen. Als doel moeten wij de

universele broederschap, de universele harmonie nastreven en om dit doel te bereiken, alle middelen aanwenden die wij bezitten: al onze eigenschappen, gaven, krachten en energie. Alleen op die voorwaarde kunnen de problemen van de mensheid worden opgelost.

Zie ook ‘Een universele filosofie – broederschap als nieuwe vorm van bewustzijn’, Izvor 206, hst. VIII

Wanneer de mens erin slaagt de plaats te vinden die werkelijk voor hem bestemd is, dan pas kan hij gelukkig zijn. Iedereen weet dit, maar niet iedereen weet wat zijn plaats inhoudt. ‘Plaats’ is een woord met meerdere betekenissen: element, land, huis, beroep, rol, ideaal.

Je ziet vaak mensen van links naar rechts hollen, zonder zich ooit ergens te vestigen: zij zijn er nog niet in geslaagd hun plaats te vinden, zij hebben geen wortels en zijn ongelukkig. Iemand moet hen in vruchtbare grond planten, waar zij zullen ontkiemen. Voorheen geleken zij op het graan dat in een schuur ligt te wachten op het ogenblik dat het gezaaid wordt. Wanneer het graan in goede aarde wordt geplant, groeit het, draagt vruchten en zegt: ‘Het is zover, ik heb mijn plaats gevonden.’ Deze plaats is niet de graanzolder, waar het gevaar loopt te schimmelen of opgegeten te worden door de muizen. Wat iedereen voortaan nodig heeft, is dus gezaaid, geplant te worden.

Zie ook ‘De onuitputtelijke bronnen van de vreugde’, Izvor 242, hst. VI

Behoud en bescherm je leven, want niets is zo waardevol als het leven. Natuurlijk hebben mensen in sommige gevallen hun leven gegeven om anderen te redden of om sommige ideeën te verdedigen. Ja, maar alleen in die gevallen heeft men het recht om zijn leven te offeren: de profeten en Ingewijden die hun leven verloren hebben voor een idee, voor de glorie van God, hebben in feite niets verloren. Want daarna hebben zij een nieuw leven gekregen dat nog veel mooier en rijker was, omdat zij zich opgeofferd hadden voor het goede.                             

Maar buiten deze gevallen moet de mens zijn leven bewaren, behouden, zuiveren en intenser maken. Want het leven is de bron, de oorsprong, het vertrekpunt van alle andere ontwikkelingen: intellectueel, affectief, esthetisch, enz. Alles begint altijd met het leven en pas daarna verschijnen wijsheid, liefde, schoonheid, enz.…

Zie ook ‘Harmonie en gezondheid’, Izvor 225, hst. I

De zichtbare wereld is gebouwd naar het model van de onzichtbare wereld, en als men op de markt moet betalen voor bloemkolen en wortelen, betekent het dat ook in de onzichtbare wereld alles gebaseerd is op de wet van de ruilhandel. In de onzichtbare wereld kan geen enkele ziel iets ontvangen van een andere ziel, zonder deze vreugde, een blik of een lichtstraal in ruil te geven...                                                                                   

Maar hoeveel mensen hebben deze onzichtbare uitwisselingen nog altijd niet geleerd? Zij nemen licht en warmte van de zon, maar geven er niets van zichzelf voor in de plaats. Zij nemen ook vele zaken van de aarde, maar ook aan de aarde geven zij niets in ruil. Dat is niet correct. Je zult zeggen: ‘Maar hoe kunnen wij iets teruggeven aan de zon, aan de aarde?’ In de eerste plaats moet je ophouden met de zon, de sterren en de planeten te beschouwen als dode dingen die geen enkele intelligentie en gevoeligheid bezitten. En wanneer je beseft dat ze intelligent en gevoelig zijn, moet je met respect, liefde en dankbaarheid aan hen denken. Meer vragen zij niet van ons.

Zie ook ‘De yoga van de voeding’, Izvor 203, hst. VIII en XI

Sinds kunstenaars de gewoonte verloren hebben zich innerlijk te verbinden met de goddelijke wereld, hebben zij geen sublieme werken meer voortgebracht. Bestudeer de huidige schilderkunst, beeldhouwkunst, dans, muziek en poëzie en je zult vaststellen, dat zij niet meer bezield zijn door dat element van eeuwigheid wat de kunstwerken uit het verleden zo kostbaar maakt. Daarom zal het ware onderricht ooit schoon schip maken met al die creaties, boeken, schilderijen en beelden, die niemand zich nog zal herinneren.

Om waarachtige scheppers te zijn, moeten kunstenaars, voor zij beginnen te werken, zich bezinnen, mediteren en de zegen van de Hemel vragen. Want alleen de Hemel is in staat hun het licht te brengen dat hun verbeelding helder maakt. Als zij zo te werk gaan, zullen zij de openbaring van echte schoonheid ontvangen en ook de mogelijkheid om haar uit te drukken en over te brengen. De mens is in staat meesterwerken te scheppen wanneer hij geïnspireerd is, want dan werkt alles in hem vanuit het spirituele licht dat hij ontvangen heeft. Hij kan immers niets onsterfelijks voortbrengen buiten de geest.

Zie ook ‘Artistieke en spirituele schepping’, Izvor 223, hst. II