Sinds kunstenaars de gewoonte verloren hebben zich innerlijk te verbinden met de goddelijke wereld, hebben zij geen sublieme werken meer voortgebracht. Bestudeer de huidige schilderkunst, beeldhouwkunst, dans, muziek en poëzie en je zult vaststellen, dat zij niet meer bezield zijn door dat element van eeuwigheid wat de kunstwerken uit het verleden zo kostbaar maakt. Daarom zal het ware onderricht ooit schoon schip maken met al die creaties, boeken, schilderijen en beelden, die niemand zich nog zal herinneren.

Om waarachtige scheppers te zijn, moeten kunstenaars, voor zij beginnen te werken, zich bezinnen, mediteren en de zegen van de Hemel vragen. Want alleen de Hemel is in staat hun het licht te brengen dat hun verbeelding helder maakt. Als zij zo te werk gaan, zullen zij de openbaring van echte schoonheid ontvangen en ook de mogelijkheid om haar uit te drukken en over te brengen. De mens is in staat meesterwerken te scheppen wanneer hij geïnspireerd is, want dan werkt alles in hem vanuit het spirituele licht dat hij ontvangen heeft. Hij kan immers niets onsterfelijks voortbrengen buiten de geest.

Zie ook ‘Artistieke en spirituele schepping’, Izvor 223, hst. II

Wanneer ouders aan hun kind een opdracht hebben gegeven, moeten zij eisen dat het gehoorzaamt, anders zal het kind merken dat zij geen enkele wilskracht of vastberadenheid bezitten en dat beeld van hen zal zijn goede ontwikkeling schaden. Het spreekt vanzelf dat deze onbuigzaamheid in sommige gevallen schadelijk kan zijn. Veronderstel dat een vraag van het kind van spirituele aard is en dat de ouders het kind verhinderen dat ideaal te realiseren, omdat het hun begripsvermogen te boven gaat. Als ze zich onverzettelijk opstellen, kunnen zij het kind veel kwaad doen.                            

Alvorens zich uit te spreken, is het dus nodig dat ouders de gevolgen van hun eisen goed afwegen en zich de vraag stellen: ‘Vraag ik hiermee aan mijn kind iets goeds, iets rechtvaardigs, iets goddelijks? Verlangt zijn ziel het oprecht, of zal het integendeel schadelijk zijn voor zijn evolutie?’ Ouders moeten zich dus eerst goed informeren, en duidelijk zien en begrijpen wat goed is voor het kind. Dan kunnen zij het iets opdragen, toelaten of weigeren op een categorische en stellige manier en op dat ogenblik zal het kind zich er bij moeten neerleggen.

Zie ook ‘De opvoeding begint voor de geboorte’, Izvor 203, hst. X

Mensen kunnen boosaardig, oneerlijk of ondankbaar zijn, inderdaad, maar je mag nooit je geloof en je liefde verliezen met als voorwendsel dat je teleurgesteld bent. Want op dat ogenblik verlies je werkelijk je geluk. Blijf dus verder geloven en liefhebben, ondanks alles. Als je over dit vraagstuk mediteert en het voor en tegen afweegt op je spirituele weegschaal, zul je het volgende vaststellen: door ermee op te houden mensen lief te hebben, leg je de bron droog die in jou stroomt en op die manier straf je niet de anderen, maar jezelf.

Waarom zou je vanbinnen de stroom onderbreken van wat eeuwig en onuitputtelijk moet zijn, met als reden dat je op een dag een kleine tegenslag hebt gehad? Hoeveel heiligen, profeten en Ingewijden werden vervolgd en mishandeld! Maar zij bleven liefhebben en geloven. Welke leerling acht zich dan waardig om de Inwijding te ontvangen als hij overal gaat uitroepen dat hij van niemand meer houdt en in geen mens nog vertrouwen stelt, omdat hij enkele keren bedrogen of bestolen werd?...

Zie ook ‘Spiritueel leven – 115 gouden regels’, Izvor 227, p. 96, 110, 133 en 134

Ons innerlijke leven is onderworpen aan dezelfde afwisseling als de natuur, dag en nacht,

eb en vloed: ons bewustzijn klaart op en wordt somber, het loopt vol en stroomt leeg.

Dus is het van belang dat wij proberen ons bewust te worden van het tijdstip waarop ieder van die verschijnselen zich gaat voordoen.

Veronderstel dat een moeilijke periode nadert, maar dat je het niet weet: onvoorzichtig ga je verbintenissen aan voor een of andere onderneming, maar wanneer het ogenblik aanbreekt, bezit je geen energie of inspiratie en je voelt je belabberd. Je had die ongemakken kunnen vermijden, als je de dagen van zwakte of neerslachtigheid had kunnen voorzien. Alle vergissingen worden begaan in het duister, op het ogenblik dat het bewustzijn beneveld is. Leer die momenten te onderscheiden en houd je rustig, begin op zo’n moment niet aan nieuwe projecten.

Zie ook ‘Meditatie – scheppend werken met de gedachte, de verbeelding, de natuur, het licht’, Stani reeks, nº 3, deel II.4

Als men aan een wijze vraagt wat God is, antwoordt hij met stilte, want alleen de stilte kan het Wezen van de Godheid uitdrukken. Ja, zeggen wat God is, volstaat niet, en zeggen wat Hij niet is evenmin. Zeggen dat God liefde, wijsheid, macht, gerechtigheid is... is allemaal waar, maar deze woorden schieten de goddelijke werkelijkheid voorbij, zij vatten niets van de oneindigheid, de eeuwigheid en de volmaaktheid van God.

Men kent God niet door erover te spreken of over Hem te horen spreken. Men kent Hem wanneer men probeert diep in zichzelf te gaan, tot men juist dat gebied van de stilte bereikt.

Zie ook ‘De weg van de stilte’, Izvor 229, hst. XII