Alleen wie zich vereenzelvigt met de geest, weet dat hij onsterfelijk is. Hij beseft dat hij een vrije en lichtende entiteit is die verschilt van zijn lichaam; hij reist door de ruimte, hij gaat en komt, zijn lichaam is slechts een kledingstuk en soms zelfs een gebruikt kledingstuk. Hoe kan men de mysteriën van het universum begrijpen, als men zich vereenzelvigt met zijn omhulsel?... Welke bestuurder vereenzelvigt zich met de auto die hij bestuurt? Hij zegt toch niet: ‘Ik ben mijn auto’, want hij ziet dat zijn auto hem alleen maar vervoert. En welke ruiter vereenzelvigt zich met het paard dat hij bestijgt?...

Jezus zei: ‘Mijn Vader en ik zijn één.’ Jezus vereenzelvigde zich met zijn Vader, maar niet met welke vader dan ook. ‘Mijn Vader’ is dat eeuwige en almachtige Wezen. Waarom Jezus niet navolgen en zich vereenzelvigen met de hemelse Vader, met de kosmische Geest?

Zie ook ‘De vrijheid, overwinning van de geest’, reeks Izvor nr. 211, hst. II

Je bevindt je aan de oever van de oceaan en met een stokje begin je te draaien en breng je het water in beweging. Geleidelijk beginnen sprietjes, stukjes papier en kurken te draaien... en als je volhoudt zijn het weldra kleine bootjes... grote boten... de hele wereld begint te draaien. De etherische oceaan waarin wij baden, is zoals de oceaan van water en door de gedachte kunnen wij heel de wereld in beweging brengen, op voorwaarde dat wij nooit stoppen. Maar omdat men zich niet oefent en vooral omdat men niet volhardt, gebeurt er natuurlijk niets.

Zolang je die enkele regels, waarop het spirituele leven gebaseerd is, niet begrepen hebt, zul je geen medewerker van de goddelijke wereld kunnen worden, geen arbeider op het veld van de Heer. Ga dus door met de beweging tot alle deeltjes meegevoerd worden in dezelfde richting, om het lichtende werk te doen dat je niet alleen voor jezelf, maar voor alle schepselen op aarde en nog verder in de kosmos, ondernomen hebt.

Zie ook ‘De Gouden Sleutel, grondslagen van het spirituele leven’, Verzameld werk deel 7

Je zou graag een Meester hebben die alwetend en almachtig is, dat wil zeggen iemand die je het leven gemakkelijk maakt, die al je problemen oplost. Wel, vergeet het maar, daarvoor dient een Meester niet. Een Meester is er om je te onderwijzen en om je aan te sporen, je te vervolmaken. En hoe groter een Meester is, hoe veeleisender zijn onderricht is. Dat is waar op alle vlakken.                                                                          

Geloof je werkelijk dat het onderricht van een geniaal musicus of geleerde zomaar toegankelijk is voor jou? De waarheid is dat zij ongetwijfeld zouden weigeren jou te onderrichten. Je zult zeggen dat een spiritueel Meester geen musicus of geleerde is en dat zijn liefde, goedheid en edelmoedigheid alle schepselen omvat. Ja, dat is waar, maar die liefde, goedheid en edelmoedigheid zullen hem ertoe aansporen jou voortdurend te stimuleren op de weg van de vervolmaking, en niet voor jou alle wonderen te doen die je verwacht.

Zie ook ‘Spirituele Meesters – lichtbakens voor alle tijden’, Izvor 207, hst. VII

Hoeveel mensen willen koste wat het kost opvallen bij de anderen! Zij maken drukte en halen slinkse streken uit, zij verspillen hun leven, enkel om in de belangstelling te staan en applaus te oogsten, zonder eraan te denken dat enkele jaren later alles vergeten zal zijn. De ware zin van het leven is te werken met het licht, voor het licht, zonder zich zelfs af te vragen of men door de anderen zal worden afgewezen of toegejuicht. Op een dag zullen zij immers naar jou op zoek gaan, om blijk te geven van hun eerbied en bewondering.                        

Wanneer je gedachte verbonden blijft met het goddelijk licht en de goddelijke liefde, zullen al degenen die je ontmoeten zeker troost en vrede bij jou vinden. Als je daarentegen God opgeeft, zul je je innerlijke rijkdommen niet meer kunnen vernieuwen. En als je arm en leeg zult zijn, wie zal dan nog zin hebben met je om te gaan?

Zie ook ‘Het licht, de levende geest’, Izvor 212, hst. IV en V.

Er was eens, in het oude China, een wijze die door zijn vrouw voortdurend gekweld werd met verwijten: ‘Wat verdien je met al dat denken? Wij hebben maar net genoeg om van te leven, en ik verlies mijn jeugdigheid in de zorgen van het huishouden. Ik wil mooie kleren en juwelen, ik wil mij ontspannen zoals de vrouwen van mijn leeftijd. De wijze was die scènes beu en zei op den duur: ‘Wel, als je een man vindt met wie je gelukkiger denkt te zijn, verlaat me dan, ik hou je niet tegen.’ En zo geschiedde...                                  

Op een dag stierf de oude keizer. Hij had geen erfgenamen. Nadat men heel het land had afgezocht, om een man te vinden die waardig was de keizer op te volgen, ontdekte men uiteindelijk die wijze en men kroonde hem tot keizer. Toen zijn vrouw dat vernam, kwam zij hem opzoeken en zei: ‘Nu begrijp ik hoe dwaas en lichtzinnig ik ben geweest door je eigenschappen niet op prijs te stellen. Maar ik was jong, vergeef me, ik wil opnieuw met jou samenleven.’ Hij bleef kalm, en zonder haar het minste verwijt te maken, wendde hij zich tot een dienaar met de woorden: ‘Breng mij een glas van de kostbaarste likeur.’ Daarna goot hij het glas leeg op de grond en zei tot zijn vrouw: ‘Doe deze likeur opnieuw in het glas. Als hij even zuiver is als voorheen, ben ik bereid je terug te nemen...’ En de vrouw barstte in tranen uit, want zij besefte dat dit onmogelijk was.

Zie ook ‘De zaden van het geluk’, Izvor 231, hst. X