Zoals het waar is dat mensen leraren nodig hebben, om niet op goed geluk rond te dolen, is het even waar dat zij zelf moeten werken en ervaring opdoen, zodra zij opgeleid en op de hoogte zijn.

Neem een heel eenvoudig voorbeeld. Je bezit het recept van een gerecht dat jou gegeven werd door een uitstekende kok en je hebt ook alle ingrediënten gekocht in de beste winkels. Als je niet beslist dit gerecht te gaan klaarmaken in je keuken, zul je niets te eten hebben. En als je op die manier lang doorgaat, zul je tenslotte van honger omkomen. Hetzelfde geldt voor het spirituele leven. Zodra je de weg gevonden hebt met de beste voorbeelden voor ogen, moet je alleen nog op jezelf rekenen; de verworvenheden van de anderen blijven van hen en nu is het aan jou om voor je eigen aanwinsten te zorgen.

Zie ook ‘Een toekomst voor de jeugd – jongeren en spiritualiteit’, Izvor 233

Alle gedachten die je vormt, hoe zwak of onbeduidend ook, zijn een realiteit. Men kan ze zelfs zien en er bestaan schepselen die ze kunnen waarnemen. De gedachte is een levend wezen. Op fysiek gebied kan men de gedachte natuurlijk niet zien of grijpen, maar in haar gebied, met de subtiele materialen waaruit zij gevormd is, is zij een levend en werkzaam wezen. De onwetendheid over deze waarheid is de oorzaak van veel moeilijkheden en beproevingen.                                          

Mensen zien en voelen niet dat de gedachte werkt, dat zij opbouwt of afbreekt, en zij veroorloven zich om het even wat te denken en daarna zijn ze verbaasd over wat hun overkomt. De gedachte is een levende werkelijkheid en daarom moet je erover waken dat je enkel de beste gedachten uitstuurt en uitstraalt: gedachten vol liefde, goedheid, licht en harmonie. Daar begint de echte kennis: bij het bewustzijn dat de gedachte een werkelijkheid is.

Zie ook ‘De macht van de gedachte’, Izvor 224, hst. III, IV en V

In de mens wordt het mannelijk principe, de vader, vertegenwoordigd door het intellect; en het vrouwelijk principe, de moeder, door het hart... En de vereniging van het mannelijk en vrouwelijk principe brengt een kind ter wereld: de actie. Al onze daden zijn de vrucht van onze gedachten en gevoelens. Men ontmoet personen die zeer actief zijn, hoewel hun intellect en hun hart niet erg ontwikkeld zijn, maar ook bij hen is de actie onvermijdelijk het kind van het verstand en het hart, of veeleer van het gebrek aan licht in hun verstand en de afwezigheid van warmte in hun hart. Handelen met intelligentie en gevoeligheid, ofwel onbezonnen en zonder enig gevoel, doet altijd een activiteit ontstaan die de vrucht is van het verstand en het hart. De aard van het kind hangt af van de graad van ontwikkeling en beschaving van de ouders.               

Wanneer onze gedachten en ook onze gevoelens goed zijn, zullen onze daden die een gevolg zijn van de wijsheid van ons verstand en de liefde van ons hart, constructief zijn. De macht van ons handelen vloeit voort uit een correcte band tussen de wijsheid en de liefde.

Zie ook ‘Een universele filosofie – broederschap als nieuwe vorm van bewustzijn’, Izvor 206, hst. VI, VII en IX

De geest is het scheppend beginsel bij uitstek. Al wat bestaat, komt voort uit de geest en wordt bezield door de geest, maar alles is niet gelijk aan de geest. Ons lichaam bijvoorbeeld bezit iets van de geest, maar bezit lang niet alle vermogens en eigenschappen van de geest. Opdat het meer en meer doordrongen zou worden van de elementen van de geest, moeten wij een bepaald werk verrichten.                                                

Wanneer wij bijvoorbeeld eten, moeten wij het zo doen dat de geest aan deze handeling deelneemt, zodat hij doordringt in het voedsel en op die manier ook in ons lichaam. Voedsel bevat het leven, maar het bevat nog niet de geest. Daarom moeten wij ons tijdens de maaltijden concentreren op het voedsel, om de tussenkomst van de geest mogelijk te maken. Want zijn aanwezigheid zal in die mate nieuwe elementen aanbrengen, dat alles in ons getransformeerd en mooi zal worden, zal verrijzen.

Zie ook ‘de vrijheid, overwinning van de geest’, Izvor 211, hst. I en II

De Hemel gaat na wie jij dient: als hij ziet dat je je eigen god, je egoïsme, je lagere natuur dient, keert hij zich van je af. Hij deelt zijn rijkdom niet uit aan mensen die er enkel op belust zijn hun eigen leventje te leiden op een oneerlijke en zelfgenoegzame manier. En als de Hemel je in de steek laat, wie zal je dan helpen, wie zal je redden? Je geld, je roem, je aanzien?           

Voor de Hemel bestaan er maar twee categorieën van mensen: zij die uitsluitend voor zichzelf werken, om hun eigen verlangens te bevredigen en zij die moeite doen hun broeders en zusters te helpen, om deel te nemen aan het werk van miljarden en miljarden entiteiten in de onzichtbare wereld, die zich inzetten voor de verwezenlijking van het Koninkrijk van God op aarde. Deze mensen staan genoteerd in het grote Boek van het Leven als weldoeners van de mensheid en de Hemel zal hen nooit in de steek laten.

Zie ook ‘De mens verovert zijn bestemming – reïncarnatie en karma’, Izvor 202, hst. IV, VI en VII